AIR Centro Selva

Artist-in-Residence program of the cultural association Centro Selva Arte y Ciencia

A 3 weeks residency in the rural Peruvian Amazon.  I worked with the community of the place called Manco Capac in Ucayalli on a public artwork and exchange experience with other artists.

I Kroywara I

‘Hoe kan jij jezelf nu verbranden?’, vraagt mijn ziel aan mijn ego. Zo begint een zoektocht naar stilte: naar het niets. Dan denk ik aan een term die ik ooit hoorde: KROYWARA.

Dit is de benaming voor het proces waarin houtstapels, van onvoldoende verbrande boomstammen en takken, worden gemaakt en verbrand. Het is een ritueel voor het aanleggen van kostgrondjes. Deze naam verwijst naar  de beschadiging van de natuur met korte termijn effecten. De schade is beperkt, en het gebied waar dit gebeurd wordt door de verbrandingsresten vruchtbaarder. Ik herinner me deze term van vroeger. Als kind op vakantie bij grootouders, wanneer ik met hen naar hun kostgrondje mee mag, hoor ik mensen die term gebruiken. Als artistiek proces maak ik I KROYWARA I ervan, wat betekent: als ik met je meeloop, loop jij met me mee.

De idee van het meelopen wil ik diepzinnig toepassen, zoals bij dodenverering. Maar ook in het dagelijks leven: anderen bijstaan voor zover ik daartoe in staat ben. ‘Je bent per slot van rekening mens bij gratie van collectiviteit’, zeg ik mezelf nog na. Je kunt Kroywara beschouwen als de Afrikaanse filosofie Ubuntu (ik ben door wat jij bent) en het Maya begrip Inlakech (jij bent een ander ik en ik ben een andere jij).

Met KROYWARA ervaar ik dus een reis: met de dualiteit van mijn ziel, met de ander die tevens mijn andere zelf is. Want ik hebt als mens behoefte aan de interactie met anderen, maar tegelijk wil ik ook met mezelf op reis.

Code Blanc

Ik vraag me af: hebben we de bijbel nu nog nodig om ons moraal af te kunnen maken? Hoewel ik het boek Thus spoke Zarathustra eindelijk zelf heb, ligt het naast mijn bed weg te rotten. Ik duik er eigenlijk niet zo vaak in als ik eerst had gedacht. Frederich Nietsche, een Duitse Filosoof uit de 19e eeuw, besloot zijn eigen bijbel te scheppen. Waarom zou iemand dat niet mogen? Dan sta ik stil bij de gedachte dat we dergelijke wetten voor deze eeuw niet meer nodig hebben.

Je christelijke of winti moraal is een mooi drogbeeld. Het existentialisme – een hedendaagse filosofische/literaire stroming waarin de afwezigheid van god individuele vrijheid, verantwoordelijkheid en de persoonlijke zienswijze vooropstelt – oefent druk uit op religieuze overtuigingen. Als je openminded naar de wereld durft te kijken, zul je zien dat moraal steeds een evolutie ondergaat. Zie je het…? Hoe collectieve geloofsovertuigingen toch langzaam sterven. Je bent als persoon uniek, zelf verantwoordelijk voor je daden en je lot, en je moet binnen jouw absurde en zinloze bestaan de vrijheid gebruiken om het zijn zelf zin te geven. Maar dit heb je niet geleerd. Want de wetenschap, een andere gedaante van religie, en politiek bepalen zogenaamd alles voor je. Geloof je als ik je zeg wie geen religie aanhangt, veel actiever kan participeren. Ook al zoek je als spirituele wezen naar iets dat dieper verscholen ligt. Dat doet een ieder volgens mij: als je nou gelovig bent of atheist. Als atheist geloof je ook.

Nietzsche schildert het geloof van een ongelovige met ‘God is dood!’ Het boek waar ik zo lang op heb gewacht is maar een plat en veel te licht ding met aan de binnekant vergeeld papier. Het brengt me een associatie alsof ik in een smerige archief duik. Bovendien, die man op de kaft lijkt niet op mij. Mijn ziel vraagt zich steeds af ‘moet ik me alleen voeden met zij die op mij lijken?’ Ik weet, mijn ego wil dat niet! Ik wil meer dan alles: ik wil niets dus. Daarom, schep ik ook leugens die een beetje bijdragen aan een zoganaamde waarheid. Met dialogen in mezelf en met door te zoeken naar converstaties met anderen kan ik steeft van stand punt veranderen. Het leven dat zo absurd is, staat bovendien ook niet stil. En ik begrijp dat die elke vorm van waarheid wordt gevoed door verschillende  illusies. Zo motiveer ik mezelf om te blijven zoeken.

Die zoektocht duwde mij in 2016 naar het Nuyn Sten Festival. Een training in script schrijven van Artlab.sr die een samenwerking met de schrijversvakschool in Paramaribo en Right About Now inc. uit Amsterdam aanging. Dit werd het begin van een nieuwe reis, want ik beloofde mezelf verschillende dingen door elkaar te gebruiken: Mijn eigen Afrikaanse achtergrond, gemixt met invloeden uit het Zuiden, Oosten en Westen. Ik nam mij voor alles te gebruiken om een theater trilogie te marineren. Het eerste stuk Pur’ Blaka regiseerde Tolin Alexander, en hij maakte er een fantastisch eindresultaat van. De acteurs voelden hun rollen heel goed aan toen het stuk bij de viering van 180 jaar Theater Thalia werd geproduceerd. Ik was net begonnen met het tweede deel dat Tintin Pesepese heet. Ruth San A Jong nam mij een jaar lang onder haal vleugels. Vanaf het begin introceerde ze een heleboel dingen aan me. Soms dacht ik zelf: luku wan tra ka dya yongu. Met Ruth mijn zoektocht voortzetten is mij tot nu toe nog een grote eer. Over Tolin zijn artistieke kwaliteiten ben ik nog niet eens begonnen te spreken.

Ik wil nu dat Tolin Alexander KROYWARA verder gaat afmaken. Net als die ander gek van twee eeuw terug, laat ik los zodat een ander aan de slag kan met weer een andere absurde verschijning. Deze keer niet bang zich te ontvermen over Suriname van morgen.

Creating in a different community

As part of the Artists in Residency program, Diana and I worked with the local community. We all cooperated together to create a public sculpture near a well no longer in use. The artwork is located at a place where the community often gathers. I believe that this sculpture and the nearby well have made a beautiful metamorphosis together, representing new life that emerges from something that has come to an end.

Centro Selva is a Peruvian center promoting projects, studies, and training in the arts and sciences in the Central Amazon region. During this year’s Artists in Residency Program at Centro Selva, participating artists from Argentina, England, Peru, Suriname, and the USA came together. In this program – which is ongoing – I have interacted with, and learned from, a community different from my own. Diana Riesco-Lind, one of the participating artists, is the president of this Peruvian non-profit organization. I have had the opportunity to work with her and the people of Manco Capac, a small village in Ucayali, Peru. The people there earn their livings mostly by agriculture and farming. The name ‘Manco Capac’ comes from a myth about the first Inca king, who taught agriculture to the people. Together, Centro Selva and I have made an impact in this small community.

When I applied for the Artists in Residency Program, my idea was to work on the themes of life, specifically death and re-birth. While interacting with the Manco Capac community and working with Diana, changes were made to my original concept. Two meetings with the people of Manco Capac – during which a creative process took place – led us to adjust my first concept. The resulting project was a pyramid-like structure decorated with elements the community members suggested. While the original idea was to create a closed pyramid, the final product was instead a group of three triangles that made an open pyramid. This shows more optimism, I thought. I remember telling Diana: “It is like the opening of a flower.” To the community, the sculpture emphasized pride and prosperity. I wondered: Could this be seen as a translation of life, death, and re-birth? Regardless, the people in Manco Capac identified themselves in the proposed artwork. When it is finished, it will be an object that captures what the community loves and how they think about their village. It will be a piece of art that stands out to every passerby.

 

For this residency program, there are a total of seven artists living on a farm in Ucayali. At the start of this year’s program at Centro Selva, we were taken on a walk: a sightseeing journey through the city. We also stayed one night in the village of the Shipibo community, where we worked with their children. The Shipibo are an indigenous group living along the Amazon in Peru. One of the things for which they are known is the deliberate deforming of their skulls. They used to do this to the skulls of their newborn children for aesthetic purposes, as they believed it helped distinguish them from the ape. Learning about this practice caused me to ponder this tradition and contemplate the human mind and evolution. “What influence might this technique have had on the brain of the Shipibo people over time?” I asked myself. Using this dying tradition as an inspiration for my work as an artist could be of great value, as it may help me think about technology in a new way.

This residency program has been different from any program in which I had previously participated. During a six-week Artists in Residency program in Puebla, Mexico, I was also with an international group of artists and art historians. The difference between that program and the one I am currently attending is that the former program focused on process: learning through art workshops; attending art history seminars; weekly readings; and weekly critique groups. Centro Selva’s residency, however, focuses on creating art products inspired by the Amazon.

Published in newsletter of Suriname America Almuni Association | August 2017

De Ontmaskering

Als een wisi! Ik zou en moest het ervaren: reizen door Latijns Amerika in 2017. Ik besefte toen pas wat mij dwars zat en wilde er goed naar kijken. Een opgave? Ik weet het niet. Mocht het een opdracht zijn geweest, a ben hebi man… Ik koos ervoor een masker te maken. Nu ik weer naar dit zwartbruine en van klei gemaakte object kijk, ervaar ik alles opnieuw. Er gebeurde veel in mijn geest toentertijd. Het ontstond op een boerderij waar ik deel van een groep was,  helemaal in Ucayali, een plaats in Peru. Ik vertreok uit Suriname om deel te nemen aan Artist In Residency bij Centro Selva, te backpacken, en Ayahuasca te drinken – een soort rituele drank van Inheemsen.

Het masker en wat het vertegenwoordigt is loodzwaar. Het maken ervan is een metafoor voor het herijken van mijn ego. Een absurd en schedelachtig klei gestalte, bewerkt met natuurpigmenten. Als ik erop klop, klinkt het hol. Het is ovaal, heeft een gezicht met veel diepte, en er zitten twee gaten in: een kleine en een grote. Die gaten stellen ogen voor. Omdat het van klei is gemaakt, schiet de aardbruine tint eruit, behalve die zwarte en grijze kleur. Mijn vingertoppen vertellen me dat het op sommige plaatsen grof is, en op andere plaatsen juist een beetje gaaf. Wanneer ik mijn tong naar mijn vingers breng, nadat ik het masker weer in mijn handen heb gehad, schuren zandkorrels in mijn mond. Daar moet ik aan wennen. Een wasem van zacht hout komt me tegemoet, zodra ik achter het masker duik. Het valt mij op: ‘Ik ruik die koeienpoep niet die ik in de klei heb verwerkt.’ Langzaamaan raak ik verliefd erop. Als ik het aanraak, worden mijn handen zwart. ‘Vieze handen’, zeggen mijn gedachten. Om mijn denken te onderbreken, herhaal ik luidop: ‘Zwarte handen. Wat! Die kleur is toch niet vies?’ Ik aarzel een beetje. ‘Jongen, wat heb je te verbergen? Wat dan…?’ Het is mijn ego. Ik zie nog dat ik dringend weg wilde van die Peruaanse boerderij. Niets goed genoeg. Die plek voor het exposeren? Het is een smerige plek ook: ik wil niet dat mijn werk hier staat.  Zo gaat het een paar keer door mijn hoofd. Een teleurstelling in mezelf, want zo wil ik helemaal niet denken.

Je ging met je ego op reis, overtuigd dat je dat nodig had. Er kwam grote druk en je raakte teleurgesteld: je ego volgde zijn eigen pad. Of bracht je gevoel je ergens dieper? Je bent van je woonplaats vertrokken om kunst te gaan maken met vreemde mensen. Centro Selva kondigde je aan als een geweldige kunstenaar, die een geweldig monument ging maken. Op het moment dat je aankwam, nauwelijks je spullen had opgeslagen, werd je al onder druk gezet. Collega-kunstenaars begonnen hun bewondering voor je werk dat nog niet eens bestond uit te spreken. Dit bracht je angst. Al die mensen hun verwachtingen; een schepje op je eigen innerlijke strijd. Zie je het weer voor je? Hoe je stilletjes weg wilde kruipen… Van jezelf moest je braaf zijn, want je had er heel veel tijd, energie en geld in gestopt. Bovendien, velen hadden die reis ondersteund. Je was zo bang dat je niet aan de verwachtingen van anderen zou voldoen. Dus kwam je van binnen in opstand. Je egofrustratie! En je begon aan het verbergen van gevoelens in dat masker.

Indrukken op de boerderij en collega-kunstenaars in Pucallpa, Peru.

Het masker kijkt me nu uitdagend aan. Het confronteert me nog steeds. Alsof ik iets heb gedaan; of juist iets niet durft. Er komen nieuwe associaties bij me op. Bijvoorbeeld van die “Quota Halloween Cook Out”. Daar ga ik met een vriendin naar toe. Wil ik wel gaan, of is het alleen maar omdat ik een ander een genoegen wil doen? Dat Quotading brengt me  terug naar Peru. Ik moest mezelf steeds afvragen: ‘Wat als het niet lukt?’ Het lastige was toen: om iets samen te doen met anderen. In mijn hoofd riep ik: ‘Ma san skopu mi?‘ Nu merk ik dat een beslissing nemen mij een gevangen gevoel geeft. Zou het weer mijn ego zijn, dat om aandacht vraagt? Of is het toch iets dat dieper begraven in mij ligt? In Peru, toen ik bijna knettergek werd, wilde ik helemaal niets van mijn eigen frustratie laten merken. En toch werd het gezien. Nu brand ik van binnen door allerlei vragen en overtuigingen, die ik eigenlijk probeer weg te drukken. Wat als die hele “Halloween Cook Out” niets voor mij is? Dan ga ik zomaar uit huis. Ik wil niet eens die mensen ontmoeten. Is toch geen evenement dat mij helpt om me nog zwarter te voelen? Ik weet zelf wat ik vaak aan mezelf vraag: ‘ben je wel zwart genoeg?’ Dus vrees ik een beetje dat die cookout voor mij niet echt iets is. Die hele naam klinkt zo wit. Worstelt ik nog met wie ik bent: zwart en niet vies?

Mijn huidskleur maakt me niet per definitie een slachtoffer. Kort nadat ik terug in Suriname aankwam viel het muntje: ‘Je ego is echt niet wie jij bent’. In Peru worstelde ik; bang dat ik naar huis zou komen, zonder dat ik het kunstwerk “Aisa Aya” had gemaakt. Mijn ego vond rust bij het maken van het masker. Ik gaf me eraan over en het lukte om me open te stellen en te leren van Centro Selva. “Aisa Aya” staat ergens in Peru; wel een beetje anders dan het oorspronkelijk idee. Net als de mensen die eraan werkte, werd ik er erg trots op. Zo ook werd het masker langzaam mijn trots om zwart te zijn.

Verder opzoek

Hoertjes en druks. Dit zijn de eerste dingen die mij werden aangeboden toen ik in Iquitos arriveerde. Daarna vielen het aantal eetgelegenheiden en jungle touroperators op. Ik had op dat moment echt geen behoeften aan seks, druks en touristische attracties en liet het allemaal aan mij voorbij gaan. Vriendelijk zei ik: ‘Muchos gracias!’ Waar ik wel behoefte aan had, was een diepe wens. Die droeg ik de hele tijd met me. Met een boot vertrok uit Pucallpa, waar ik mijn Artist In Resedency had afgerond. Gedurende deze hele reis met de boot was ik mij ervan bewust dat ik een wens had, wat voor een groot deel mijn houding bepaalde. Die wens was om Ayahuasca, een spirituele drank, te drinken. In 2016 hoorde ik voor het eerst ervan. Om het goed te doen, moest ik het in Peru ervaren. Zelf geloofde ik dat de beste manier een niet zo touristische was. Dus ging ik samen met Damien, die mij in Peru is tegemoet gekomen, op zoek naar de shamaan die bij ons paste.

Een week lang zaten we in de jungle. Ik ervoer drie Ayahuasca sessies en Damien durfde een vierde aan. Dit was een andere ervaring dan die met een groep kunstenaars. Het grootste succes van de reis was niet de Ayahuasca; dat dacht ik wel bij mijn vertrek uit Suriname. Tijdens de periode met de andere kunstenaars maakte ik zoveel dingen mee, die grote invloed op mij hadden. Bijvoorbeeld: interessante vragen over mijn werk en materiaalgebruik die opdoken in Mexico. In Peru werd ik flink geconfronteerd door mijn ego, die me wat ongemakkelijk maakte en waarvan het me af en toe de vraag voorhield: ‘moet ik dit wel doen?’ Ik was uiteindelijk wel blij en tervreden. Stilletjes had ik veel waardering voor Diana, de presisent van Centro Selva. Haar drive, om mensen te motiveren voor gratis arbeid en om materiaal gesponsord te krijgen, was geweldig. Het vertrouwen dat ze had in een voorstel dat ik indiende voor deelname was bijzonder. Zodoende ontstond het maken van “Aisa Aya”.

De ervaring met de mensen tijdens het bouwen van het kunstwerk was speciaal, met name hun bereidwilligheid om samen te werken. Verschillende beelden, ervaringen en datgene wat ik leerde, maakten dat ik meer dan ooit besefte: ‘Ik maak deel uit van de 21ste eeuw’. Problemen – als het omgaan met afval en het milieu – zag ik als de uitdagingen die de tijd biedt. Mijn fascinatie bleeft toch het groots voor wat mens-zijn is. Hoewel ik nog niet helemaal eruit was hoe alle inspiratie te vertalen naar nieuw werk, was ik al die tijd bewust dat ik enerzijds contact zocht met anderen, terwijl datzelfde contact mij ook leidde tot veel frustratie.

Indrukken van het werken met Peruanen.

Met de boot

Vertrokken! Nadat de tweede artist in residency ook voorbij was, besloo ik naar een andere stad in Peru te gaan. Met de boot reizen, van Pucallpa naar Iquitos. Wat een ervaring. Ik was daar blij om en enthousiast. Niet wetende wat mij te wachten stond.

Zondag rond 12 uur smiddags. Ik verhuisde van een hostel naar de boot. Het aantal mensen was veel meer dan wat ik de dag ervoor zag. Zaterdag kwam ik kijken naar de omstandigheden en liet me informeren over hoe het aan toe ging. Bij mijn aankom, kon ik mijn hangmat gelukkig nog ergens hangen.  Later bleek dat de creativiteit van de mensen ze in staat stelde om echt overal een hangmat te plaatsen. De dag ging snel, en het aantal mensen op de boot nam meer en meer toe. Uiteindelijk waren er veel meer mensen dan de toegestane maximale capaciteit van 200. Van een medepasagier (een van de wienige mensen waarmee ik Engels kon praten) hoorde ik dat er volgens de capitein zo’n 400 mensen waren geregistreerd.

 

Indrukken hoe vol de boot was.

Maandag en ik maakte mij klaar voor vertrek. Ik wist dat de reis 3 tot 5 dagen moest duren. Voor vertrek kregen we wat te eten. Eenvoudig: rijst in een sausje met een beetje bonen. Wie geluk had, zag een klein stukje kip op zijn of haar bord. De rest mocht het doen met de geur of de gedachte van vlees. Aangezien mijn hangmat dichtbij de keuken hing, was ik snel in de rij als de bel voor het eten ging. Wie mij kent, zal denken: vreselijk voor hem. Integendeel… Ik liet me volledig gaan in deze nieuwe realiteit en beleefde mijn eerste twee dagen op de boot ‘Henry 3’ met volle teugen.

Het was vollemaan toen we vertrokken. Het werden zes dagen op de boot. Elke dag sloeg ik twee van de drie maaltijden over. De prijs voor de boottrip van 100 soles (gelijk aan USD 30), was inclusief het eten. Smorgens en ´s avonds kregen we soep of pap…. Steeds hetzelfde? Tijdens mijn verblijf in Pucallpa had ik al drie weken lang mijn best gedaan om braaf pap en soep te nuttigen. Een tegenstelling tot wat ik normaal doe. Je begrijpt dan dat ik het op den duur echt niet meer aankon? In Mexico bijvoorbeeld, liet ik de soepen bijna elke dag staan. Toen had ik nog veel keus wat eten betroft. We hadden een echte chef kok, die elke dag drie gerechten maakte. Op rouwe tomaat en soep na, lukt het me meestal om alles dat hij aan maaltijden bood te consumeren. Zie je wel… ‘ik kon ook een beetje mee doen’. Ook in Peru… En toch! Drie weken in de residency bij Centro Selva had ik vaak het gevoel dat ik gevangen zat.

 

Een deel van mijn nieuwe vrienden op de boot.

Ik maakte nieuwe vrienden van allerlei leeftijden tijdens de boottocht. We deelden verhalen, eten of een beetje frisse lucht aan de voorkant. De kinderen waren erg leuk. We dansten, zongen en lachten. Bij de ouderen, vooral mannen, was het een ander verhaal. Interactie met hen voelde alsof ze mijn energie zogen. Mijn Spaans ontwikkelde zich en ik voerde gesprekken met mensen. Stel je voor dat ik niet had geslapen tijdens mijn Spaan lesuren op school, dan zou ik minstens twee maal zoveel kunnen praten.

Zaterdagavond en we kwamen aan in Iquitos. Het was druk op straat. Erg touristisch, met een prettige sfeer. Ik had vlees en koffie nodig. Nadat ik me had aangemeld, in de hostel waar ik zou verblijven, ging ik gelijk opzoek naar wat ik nodig had. De hostel was de goedkoopste die ik ooit ben tegengekomen. Voor USD 5 per avond had ik een bed en toegang tot internet dat het niet of nauwelijks deed. Ik was tevreden.

Terwijl ik aan de PC in de woonkamer zat, opzoek naar een beetje internetverbinding, werd mij al een bier aangeboden door een van de andere gasten. De gasten waren vooral jonge mensen uit Spanje en Duitsland die net hun studie hadden afgerond. Na dat biertje ging ik eindelijk weer een keer voor deze week goed baden. Op de boot durfde ik het niet, en hield het bij tanden poetsen en een natte doek. Na dat bad, gingen we met z´n drien naar een club. Het werd een gezellige avond in Noa, de club waarvan ik de muziek nog keihard hoorde toen ik rustig in slaap probeerde te vallen. Deze keer weer in een bed met een kussen.

Een hoogte punt

De ziel die niet eet, consumeert zichzelf. Zo beweert Simone Weil, en voegt daaraan toe: ‘the eternal part consumes the mortal part of the soul and transforms it… the hunger of the soul is hard to bear, but there is no other remedy for our disease.’ Zo duidt ze eten, zich uithongeren of opgegeten worden als spirituele ervaringen, de zelf-overstijgende manieren. Een qoute die me aanspreekt is:

The beauty of the world is the mouth of a labyrinth. The unwary individual who on entering takes a few steps is soon unable to find the openning. Worn out, with nothing to eat or drink … he walks on without knowing anything or hoping anything … But this affliction is nothing compared with the danger threatening him. For if he does not lose courage, if he goes on walking, it is absolutely certain that he will arrive at the center of the labyrinth. And there God is waiting to eat him. Later he will go out again, but he will be changed, he will have become different, after being eaten and digested by God. 

– SIMONE WEIL

Ik denk aan dat eten, het uithongeren en opgegeten worden van Weil, terwijl ik over de helft van de residency bij Arquetopia ben. Hierover lees ik in een boek dat ik op advies van mijn begeleider onafgemaakt heb laten liggen. ‘OK… op weg naar Peru pak ik weer op waar ik gebleven ben’, beloof ik mezelf. Het boek voedt wie wil met de weg om te sterven voor je ideologie. Een bijna volledige tegenstelling met onze focus bij Arquetopia, om onszelf los te koppelen van ons werk.

Intussen zijn we klaar met de lessen waarin we over druktechnieken leren. Dus kan ik helaas niet meer vol belanstelling uitkijken naar deze klas. ‘Ik zou best voor een jaar terug naar Mexico willen komen en me alleen met druk technieken bezig houden, om me nog meer erin te verdiepen.’ Zo kijk ik terug op deze meditatieve vorm van werken. Het heeft me meegenomen naar verschillende hoogte punten. En het zelfsturende proces, daarmee neemt de begeleiding me mee in de diepte.

 

Indrukken van de laatste opdracht ‘print making’ klas.

Weer lijk ik niet zo goed te weten hoe om te gaan met het zelfsturende proces. Van identiteit gaan naar subjectiviteit, om onszelf los te koppelen van ons werk – wat ik graag ook echt wil – is verdomd moelijk. Ik geloof zelf dat het niet mogelijk is in zes weken. Overtuigd ben ik zeker dat dit een goede methode is dat het werk zichzelf kan overstijgen. Wat ook mijn bedoeling is bij de keuze om te werken met de aarde als basis voor inspiratie. ‘Hiermee geef ik mezelf ruimte om zelf niet het middelpunt te zijn in wat ik maak’, denk ik. Dus kies ik ervoor om mij te concentreren op ‘Aisa Aya’, de ziel van moeder aarde. Nog mooier lijkt het om het idee in relatie te brengen met de dood en wedergeboorte, in de hoop nieuwe inzichten op te doen.

Tijdens mijn zoektocht naar hoe het planeet waarop wij wonen te gebruiken als inspiratie stuit ik op een heleboel uitdagingen. Eerst denk ik na over hoe ‘moeder aarde’ uit te drukken op canvas, met verf en penceel. Dit is een opdracht van mijn begeleider, om te werken vanuit iets niet Westers. Al in het eerste gesprek met hem, komt dit niet witte denken naar voren, en wordt gedurende de hele reis hier een worsteling.

Ik blijf het proberen. Al werkend aan deze uitdaging kom ik tot het inzicht dat kleur me echt niet meer fascineert. Tenminste, een veelheid aan velle kleuren frustreert me meer dan dat ik er plezier mee heb. En… ik vrees dat ook schilderen me niet voldoende bevredigt. ‘Mag dat wel van mezelf?’, vraag ik me stilletjes en voorzichtig af.

 

Probeersels op canvas.

Hoewel ik er nog niet uit ben, overtuig ik mezelf ervan dat het komt. Ik krijg de opdracht om de vogel in die glazen pot te verbinden met mijn thema. En dat allemaal moet ik brengen in de ruimte van kennis. Voor mijn volgende meeting heb ik een opdracht die me erg bezig houdt. Hoe zal ik duiken in die diepte? Of verder werken op een manier zoals Annette, een van de docenten, zegt: ‘power can be challenged’. RADICAL IMAGINATION, een van de zaken waarmee ze indruk maakt op mij, gaat weer door mijn hoofd!

Hier worden we getrokken naar plaatsen waar ik in eerste instantie niet makkelijk kom. Het zijn gebieden van mijn brein die confronteren en in mijn hart scheuren openen. Waarom denk je dat het decentreren van mezelf in het werk zo lastig is? Het besluit dat is genomen tijdens de individuele kritiek, om te concentreren op datgene wat mij het meest fascineert, lijkt gelukkig wel ergens naar toe te gaan. De dood! Maar toch, de studio kritiek – waarin ik langzaam de diepte in ga – verloopt niet bepaald makkelijk. Alle drie de docenten willen de dingen horen in een bepaalde context, waar ik zelf nog niet zo gewend aan ben. Uiteindelijk lukt het. Ik durf te zeggen: ‘I thought of using it, because it is familiar in my country and has a history.’ Het gaat dan om een item uit mijn lijst als gevolg van mijn opdracht, wat nu nog mijn geheim mag zijn.

Nu ik besluit te duiken in de diepte, wil ik ook de rust en stilte opzoeken. Zoals Mackenzie’s analyse luidt: ‘so we will lose you again for at least 3 days, because after every critique you are gone in your world… and critique is every week, so you are pratically gone a half week all the time.’ Ja, ik ben inderdaad veel bezig in gedachten en dan moeilijk bereikbaar voor interactie. Dat is mijn manier van verwerken. Vaak baal ik van het gevoel dat me vangt, op momenten waarom van me wordt verwacht iets te zeggen van het proces en ik nauwelijks wat te vertellen heb.

Het bloggen over het proces hier vind ik leuk. En het helpt trouwens ook om een heleboel te verwerken. Maar als ik de stilte opzoek en luister naar waar het proces mij naar toe duwt, wordt het bloggen een afleiding. Kortom, het is nu tijd om mij af te zonderen – alleen verder te reizen – en verder te zoeken naar de wijze waarop ik verder invulling wil geven aan de opdracht die we allemaal meekrijgen: To what extand can we challenge the rules of the game?

Wit, Rood en Zwart

Het gaat hard! De derde klas is aangemaakt in de google group van Arquetopia. Deze is de klas van Anette Rodriguez, die maandag, woensdag en vrijdag seminars verzorgt. Steeds drie uur. We zijn dan in de vierde week van het programma.

Door de week hebben we een vol programma. Behalve interessante seminars participeren we ook in workshops. Tot en met de vierde week zijn deze workshops gericht op druktechnieken. Voor mij een andere meditatieve vorm van bezig zijn. Mijn weekend en de avonden besteed ik vooral aan lezen. Af en toe doe ik iets anders: aan een schilderij werken, of tekeningen maken op de achterkant van visitekaartjes die ik niet meer gebruik. Zodra ik ervoor voel, schrijf ik in mijn blog.

Indrukken ‘print making’ klas.

Wat ik nu aan het lezen ben, gaat over de kracht van kleur. Lees gerust als magie, en lichaam met historisch gewicht. Deze reading is minder uitdagend dan eerdere, maar niet minder interessant. In het Engels. Goed! Met google lukt het om in de materie te zijn. Bij de readings die voor mijn gevoel nogal academisch zijn, vraag ik me af in welke mate ik me hierdoor wil laten beïnvloeden. Het besluit is om mij erin te laten gaan. Een periode van hard werken dus: in de groep, en door mezelf weer uit te kleden voor mezelf. Wel anders nu.

Collega’s in de klas.

Het vorige stuk van mijn ‘AISA AYA’ blog – ‘in een glazen pot’ – brengt interactie teweeg tussen een vriend en ik. Het leidt ertoe dat ik een opdracht krijg. Naar aanleiding van het leidmotief in het stuk, maakt hij een hypothese die me even wurgt. Ik blijf gelukkig niet lang benauwd ervan. Behalve dat de hypothese een terugkomende eye-opener is, blijkt het een gouden munt. Er is verband met mijn gevoelens en gedachten van dit proces. Zijn stelling is ‘je creeert of construeert met je hersenen en vormt zo je eigen beperkingen en gevangenis’. Het eerste dat mij te binnen schiet hierna is de opdracht van mijn begeleider: het hoofd gebruiken voor het voelen en het hart om na te denken. Het tweede is zijn conclusie: ‘There is never a process without thinking.

‘These colors are alive’, lees ik in een reading van Annette over zwart, wit en rood. Ik laat de zin tot me doordringen. Daarna zie ik mijn zelfportret weer voor me. Het was rood, maar ik heb het over grootste deel van dat rood weg geschilderd. Zwart komt daarvoor in de plaats. Zo ben ik meer tevreden. ‘Sluit ik met het zwart iets op dat mij kan leiden om vanuit mijn gedachtenloze ziel te scheppen?’ Dat vraag ik me af. ‘Ben ik bang voor rood?’ In gedachten wordt ik meegenomen naar opmerkingen en vragen van die ander over het portret: ‘Het was jou, dan weer dood. Een masker en zorgelijke energie.’ Zijn boodschap, dat de kunst me nooit zal bevrijden, is me duidelijk. Mij bevrijden is zijn opdracht aan mij. Ik denk weer aan dat rood van mijn portret.

Ontwikkeling van het zelfportret.

Als een Keltische legende, die van de doornvogels. Net zo wil ik mezelf mijn leven lang al hangen aan het kruis. Intussen begrijp ik dat het kruis ook staat voor seksuele gemeenschap, kortom: continuüm, universele creativiteit. ‘Misschien iets dat hoger is dan de geest kan bevatten of dan je kan vliegen’, zoals mijn vriend het zich afvraagt. Hij gebruikt de Egyptische mythologie van ICARUS om mij de ego constructie van de zon duidelijk te maken. Eerst snap ik de link niet. Dan vallen mijn ogen op vragen die in mij eerder heb gesteld: ‘Am I afraid of red? If so, why…?’

‘Rood verbindt me met dingen’, beweer ik. Zo overtuig ik mezelf van iets wat voor mij nog wazig is. Ik maak mijn ogen dicht en adem diep in. Mijn hoofd doet pijn. Wanneer ik mijn ogen weer open, noteer ik: rood is de kleur van de basis chakra, voor gronding met de aarde. ‘En die pot?’, vraag ik me nu ineens af. Het is doorzichtig, waardoor ik zie wat erin gebeurd en wat erin gebeurd ‘ziet’ wat buiten is. ‘Die doorzichtige pot is een leugen’, weet ik.  Hiermee leg ik een verband tussen de dode vogel in de glazen pot, die een vonk is voor nieuwe inzichten. Het is ook wat interactie tussen die vriend en ik tot stand brengt. Zo kom ik – besprenkeld door hem, door rood en door die dode vogel – tot het inzicht waarom rood mij fascineert. Deze kleur is het kruis waaraan ik mij vast nagel om te kruizen zodat creative energie me laat vliegen, zo hoog als ik zelf wil.

In een glazen pot

Als een idioot! Zo voel ik me vandaag, want ik ben verdwaald. In mijn eigen doolhof worstel ik. Hoe zal ik hieruit komen? Het doel van mijn reis in Peubla, Mexico, is begonnen: in residency bij Arquetopia. Dat het programma lijvig is, weet ik voordat ik er aan begin. En toch… de wending die dit proces aanneemt, maakt mij kwetsbaar en heel klein.

Aangezien we in deze residency niet volledig aan ons lot zijn overgelaten, worden we regelmatig via individuele kritiek een spiegel voorgehouden. Dit is bedoeld om ons individiuele proces te sturen. Denk niet dat we hierbij niet in het diepe worden gegooid.

indrukken van onze ‘printmaking’ klas

Dinsdag en tijd voor kritiek. Mijn eigen drang rust als een enorme blok op me, waarvan ik me vandaag extra bewust. Ik ben de klus helemaal kwijt geraakt. Het is week drie van de zes tijdens de residency. Hoewel ik steeds uitkijk naar de 30 minuten voor reflectie, ervaar ik nu frustratie. Naar mijn gevoel ontstaat een katastrove. Met een niet te plaatsen gevoel verlaat ik de kamer waarin ik tot hartverschurende inzichten kom. Samen met de begeleiding zijn er frustrerende conclussies getrokken. Het programma, dat bestaat uit workshops, seminars, site trips en een zelf sturende proces, neemt me mee naar een turbullent moment. Het woord ‘schaamte’ dekt de lading nog nieteens, om te beschrijven hoe ik me voel. En mijn hoofd is nog in de war. Vandaag verdrink ik. De bodem van een onbekend gebied blijft wel ver weg voor me.

Ik vind een bijna dode vogel op balkon. Mijn poging om het nog te laten leven mislukt. Het lijkt erop dat het tegen een ruit is gevlogen. Ik herinner me taferelen uit mijn jeugd waarbij vogels tegen ruiten aanvliegen in Commewijne, Suriname. Met een sproei-ritueel van water over hun kop brengen we zo een half dode dier weer tot leven. Deze keer sterft deze vogel nog voordat ik bij een kraan aankom.

Geen idee wat te doen met het dode dier. Ik besluit het in een glazen pot te doen, want ik kan het niet opbrengen om het op een onrespectvolle wijze weg te doen. Dus besluit ik het te bewaren. ‘Het zal ergens toe dienen’, overtuig ik mezelf. En de pot met inhoud gaat bij mijn spullen in onze studio. Voor de andere deelnemers lijkt het erop dat door toedoen van mij er nog een regel zal ontstaan: geen dode dieren toegestaan in de studio. Maar zo makkelijk laat ik me niet weerhouden van het plan om mijn vonds op te bergen.

Zo heb ik ruimte iets met het dode dier te doen. In mijn dagboek van deze periode staan overigens aantekeningen over de relatie van verrotting en thema’s voor mijn zelf sturende project: aarde, dood, leven en wedergeboorte. Daarom zal ik het dode dier niet zomaar laten gaan. Bovendien fascineert de volgende overtuiging mij ontzettend: in termen van materie is rotten letterlijk het terug gaan naar het niets en tegelijk symboliseert het ook de weg naar het al in spirituele zin.

mijn gevonden schat: de dode vogel in de glazen pot

Het idee om het rottingsproces van mijn gevonden schat te vertalen naar een abstract schilderij mag uniek zijn, het is lang genoeg geen vrijbrief voor een makkelijke reflectie op deze dinsdag. Gevangen in het onfunctioneren van mijn gedachten, zit ik als een sombi erbij. ‘Waar te beginnen met het beantwoorden van deze vragen’, schiedt door me heen. In mijn hoofd loopt maar een zin te zeuren: ‘Oh fuck… eerst verslaap ik me en nu zit ik hier te lummelen.’ Met dit oordeel is de confrontatie van al die vragen niet makkelijker. Ik zit met een mond vol tanden. Dan geef ik toe: ik kan niet in op de vragen, want in plaats van de opgestuurde literatuur te lezen, houd ik me bezig met het boek “Dying for Ideas”. ‘In deze ontmoeting kan ik me helemaal niets bedenken.’ Zo reageer ik in mezelf wanneer mij wordt gevraagd wat mijn shaduw is, oftewel welke vorm mijn werk betekenisloos maakt. In alle eerlijkheid waarmee ik me kan verpakken, geef ik me over en vertel dat ik geen idee heb waar het overgaat.

Dat ik geen van de readings die wij ontvangen heb doorgenomen, eist zijn tol. Waarom ik nu voor een blokkade sta, is mijn eigen schuld. Er wordt van me verwacht de existentiele boeken met rust te laten. ‘Existential becomes emotional’, wordt me nog eens nagezegd. Ook het deel van ons gesprek over vragen waarmee ik zelf zit, of waarmee ik de toeschouwer van mijn werk wil verheerlijken, is uitzichtloos. Alles lijkt op onduidelijke woorden in een vreemde taal. Taylor Lee, een van de participanten, zegt me na onze presentaties op de dag van onze studio kritiek: ‘you are the bird in the jar.’ Deze zin zuist nu opnieuw over en weer doormijn hoofd.

indrukken van onze studio kritiek

De feedback die ik ontvang bij onze studio kritiek, om ver weg te blijven van Westerse kunst en voorlopig niet naar schilderijen te kijken, is ineens nog mysterieuzer. Dat mijn installaties sterker zijn, doet er nu ook niet toe. De opmerking van de begeleider, dat mijn werk me in een duidelijke richting duwt, is verwarrend geworden. ‘Waar duwt het werk me dan naar toe?’, vraag ik me af. In de duisternis waarin ik me bevind hoor ik alles weer: duiken in de iconografie van vogels, de opdracht om over het idee van waar boodschappen en signalen komen na te denken en hierop te focussen, mijn thema’s in de ruimte van kennis plaatsen, het hart en het hoofd als contra gebruiken… Dit zijn allemaal zaken die mij in deze glazen pot moeten leiden. Als ik zelf de vogel in die glazen pot ben, moet ik dus iets te vertellen hebben: Dood of Levend!